zaterdag 3 december 2016

tuimeling

Ik zit op een bankje in de inkomhal van de sporthal, waar onze dochter trampolineles volgt. De cafetaria is voor de zoveelste keer gesloten. Ik zie allerlei mensen binnen- en buitengaan. Ik zal het nooit snappen, de liefde voor sport en het lijf dat daarbij afgejakkerd wordt. Ik kruip als een schildpad in mijn jas, op zoek naar warmte die in de inkom ontbreekt en duik in een boek.
Plots zie ik een meisje, ik schat haar 9 jaar. Ze stapt niet. Ze loopt ook niet. Ze tuimelt. Van de ene radslag in de andere. Zo verplaatst ze zichzelf door de hal. Ze merkt mij op, terwijl ze zich kantelt. Misschien ziet ze me eerst ondersteboven en dan pas recht. Ze houdt halt, hopt op de stoel naast mij en zegt: 'Dag mevrouw'. Ik sla mijn boek dicht en zeg hallo terug. Of ik weet of deze avond de cafetaria nog opengaat. Ik haal mijn schouders op en zeg dat ik het niet goed weet, maar vermoed van niet, want zo gaat het wel vaker. 'Oh', zegt ze. Ik vertel haar dat je anders van op onze plaats de lichten kan zien branden wanneer de cafetaria open is en ze legt haar hoofd in de nek, om te zien of ik gelijk heb. 'Ik zie het', zegt ze. Ze springt terug op de grond, gaat weer weg zoals ze gekomen is: door zichzelf constant om de eigen as te gooien. Ik kijk haar na, zie haar roze broekkousen met de regelmaat van haar draaibewegingen naar de hemel wijzen, als twee vraagtekens na een vraag die ik niet kan horen. Misschien houden mensen daarom wel van het lijf afmatten: om onbeantwoorde vragen een plaats te geven. Misschien tuimelt het meisje daarom wel door het leven: omdat het er altijd anders uitziet wanneer je de dingen vanuit een ander perspectief bekijkt.